| |
|
Het KFPS houdt zich de afgelopen jaren intensief bezig met de bestrijding van erfelijk gebreken in de populatie. In eerste plaats is een inventarisatie gemaakt van het probleem en vervolgens is gekeken hoe effectief beleid zou moeten worden geformuleerd. In eerste instantie ligt de prioriteit op het waterhoofd en het dwergveulen. Over de voortgang is regelmatig gepubliceerd in de Phryso. Een overzicht van de stand van zaken. Oorsprong Uit de literatuur blijkt dat de erfelijke gebreken verondersteld mogen worden als zo oud als het stamboek zelf. In het 'Hengstenboek' worden verschillende hengsten uit de beginjaren genoemd, die drager waren van het dwerggen. De oorsprong van het waterhoofd is minder duidelijk. De gebreken zijn, zij het sluimerend, altijd in de populatie aanwezig geweest, maar zijn in mate toegenomen omdat een aantal zeer invloedrijke hengsten drager waren. Voor verspreiding van het dwerggen heeft de preferente hengst Ritske 202 zeer waarschijnlijk een grote rol gespeeld. Voor het waterhoofdgen zijn het met name de (eveneens preferente) hengsten Wessel 237 (Ritske moeder) en Oege 267, via Wessels vader Jarich 226. Alle drie de laatstgenoemde hengsten waren overigens waarschijnlijk zowel drager van het waterhoofdgen als ook het dwerggen. Inventarisatie Het aangeven welke van de actuele hengsten drager zijn, wordt ernstig bemoeilijkt doordat naar schatting minder dan 10% van de afwijkende veulens door de fokkers gemeld wordt bij het stamboek. Ter illustratie: in 2005 en 2006 samen werden bijvoorbeeld slechts 3 dwergveulens bij het KFPS gemeld. Desondanks is, op basis van de (gebrekkige) informatie waarover het KFPS beschikt, een inschatting gemaakt van de omvang van de problematiek. De inschatting is dat er per jaar ongeveer 30 dwergveulens worden geboren en ongeveer 50 waterhoofdveulens. Van de waterhoofdveulens wordt overigens maar een deel voldragen. Het is bekend dat veel waterhoofdveulens vroegtijdig verworpen worden. De inventarisatie heeft bovendien de inschatting opgeleverd dat de frequentie waarin de afwijkende genen voorkomen, toeneemt. Naar schatting zijn van de huidige stamboekhengsten er 12 drager van het dwerggen en 16 drager van het waterhoofdgen. Met nadruk dient gesteld te worden dat het hier om een schatting gaat. Enkelvoudig recessief Uit stammenonderzoek is vast komen te staan dat het kenmerk vererft als een zogenaamd enkelvoudig recessief kenmerk. Dit betekent dat zowel het waterhoofd als de dwerggroei door één genenpaar wordt veroorzaakt. Overigens gaat het wel om twee verschillende genenparen. Bij dergelijke kenmerken zijn er drie varianten: vrije dieren (AA), dragers (Aa) en lijders (aa). Dragers hebben een normaal gen en een afwijkende gen, en geven dit afwijkende gen aan 50% van de nakomelingen door, maar vertonen zelf geen verschijnselen van de afwijking. Een combinatie van twee dragers levert in 1 op de 4 gevallen een lijder op. Als zowel vader als moedersvader drager zijn is die kans 1 op 8 en zijn de vader en de grootmoedersvader drager dan is de kans 1op 16 op een afwijkend veulen. DNA-test Uit de inventarisatie heeft het KFPS geconcludeerd dat de bestrijding de hoogste prioriteit dient te krijgen. Gezien beide kenmerken door één genenpaar worden bepaald is het mogelijk om een DNA-test te ontwikkelen. Met een DNA-test kan betrouwbaar bepaald worden welke paarden (met name hengsten) drager zijn. Voor het ontwikkelen van een test is DNA-materiaal nodig van lijders, dus van dwergveulens en waterhoofdveulens. Het KFPS heeft hiervoor de hulp ingeroepen van alle dierenartsen in Nederland. Inmiddels is al een poging gedaan om een DNA-test te ontwikkelen voor dwerggroei (hier was al voldoende materiaal aanwezig), helaas nog zonder resultaat. Nu er een nieuwe, verbeterde analysetechniek beschikbaar komt (SNP-techniek), mag verwacht worden dat er een test voor beide afwijkingen binnen afzienbare termijn beschikbaar komt. Beleid Het ontwikkelen van beleid is minder eenvoudig dan het wellicht op het eerste gezicht lijkt. De eerste doelstelling is om te voorkomen dat er afwijkende veulens geboren worden. Dit kan gedaan worden, door risicoparingen te voorkomen. De eenvoudigste manier zou zijn om alle dragerhengsten af te keuren. Het KFPS is echter van mening dat dit ongewenst is. Niet alleen zou dit betekenen dat een aantal zeer waardevolle hengsten voor de fokkerij verloren zou kunnen gaan, maar tevens zou hiermee de genenpool opnieuw versmald worden met een extra inteelttoename tot gevolg. Het KFPS is van mening dat dragerhengsten voor de fokkerij behouden moeten blijven. Bovendien moeten jonge dragerhengsten, mits ze over extra kwaliteiten beschikken, goedgekeurd kunnen worden. Doen we dit niet dan zal 1 op de 3 jonge hengsten obv de DNA-test bij voorbaat afvallen. Uiteraard zal in het beoordelingsrapport, bij goedkeuring, worden aangegeven of de hengst drager is, zodat risicoparingen uitgesloten kunnen worden. Hiervoor heeft men in de toekomst twee mogelijkheden: 1)bekijken of er dragerhengsten in de moederlijn van de merrie aanwezig zijn en 2) van een merrie kan een DNA-test worden uitgevoerd. Door bij het aankeuring van jonge hengsten hogere eisen te stellen aan dragers, zal uiteindelijk het aantal dragers en daarmee de genfrequentie van de afwijkende genen in de populatie afnemen. Dit is naast het voorkomen van afwijkende veulens de tweede doelstelling. Overgangsmaatregel Zolang er geen DNA-test beschikbaar is, zal het voor het KFPS onmogelijk zijn een lijst te publiceren van dragers, als gevolg van de minimale melding van afwijkende veulens door de leden. De kans dat, obv de huidige informatie hengsten onterecht als drager zouden worden aangemerkt of dat op basis van een dergelijke lijst hengsten onterecht als niet-drager zouden worden verondersteld, is te groot. Om toch tot het moment dat er een DNA-test beschikbaar is, het aantal afwijkende veulens zoveel mogelijk te minimaliseren, heeft er een overleg plaatsgevonden tussen de KFPS-fokkerijraad en het bestuur van VFH (hengstenhouders). In deze bijeenkomst is afgesproken dat de hengstenhouders er zorg voor zullen dragen dat er zo weinig mogelijk risicoparingen worden gemaakt. Aan het eind van dit jaar zal het KFPS bekijken in hoeverre dit een effectieve benadering is en zal het beleid hier mede op worden afgestemd. Conclusie Het KFPS realiseert zich, dat met het uit de taboesfeer halen van de beide afwijkingen, de discussie op straat ligt. Dit is onvermijdelijk. Het KFPS is echter van mening dat er absoluut geen aanleiding is voor paniek. Het aantal afwijkende veulens is relatief beperkt. Bovendien gaat het genetisch gezien om een relatief eenvoudig probleem. Met de vorderingen van de techniek en het te voeren beleid op basis hiervan, kunnen beide afwijkingen daarom snel tot het verleden gaan behoren. Het beleid is juist daarom met name gericht op het voorkomen van schade als gevolg van de nevenverschijnselen (foktechnisch uitschakelen van waardevolle paarden, verkleinen van de genenpool). Immers, het middel moet niet erger zijn dan de kwaal.
Voor meer informatie: Phryso juni 2006 pag. 42.e.v. | |